VERSLAGEN: van een mislukt leven.

 

Herinneringen zijn gebeurde verzinsels.

Yackobes Chraduz - Albanees wijsgeer

 

 

IJMUIDEN

 

JE ZWOM

4

 

De bakkerij van je opa ging ter ziele. Je vader trad in dienst van de Hoogovens en werd omgeschoold tot laborant. Vele avonden zat hij over boeken gebogen om zich de nieuwe materie eigen te maken, wat je bewondering afdwong. De winkel werd nog een tijdlang door je moeder gedreven en werd van waren voorzien door een voor die tijd grote bakkerij in Beverwijk. Maar de zaak kwijnde weg en werd uiteindelijk verkocht. Jullie verhuisden naar de Orionweg, naar een flat van waaruit je net niet over de Vissershaven kon uitkijken.

Je jongste zuster was toen pas een jaar oud. Ook je hond Sjonnie, die je voor een meevallend schoolrapport uit het dierenasiel had mogen halen, verhuisde mee. Je had mogen kiezen tussen een gitaar of een hond maar kreeg beide. Het eerste half jaar liep Sjonnie herhaaldelijk terug naar het asiel waar hij vandaan kwam en moest je hem telkens weer ophalen. Na een telefoontje van of met de asielbeheerder liep je er iedere keer zorgelijk naartoe. Eerst door de bebouwde kom en het laatste gedeelte door de Heerenduinen, daar overwegend een Heerenbos. Gelukkig bleek Sjonnie er telkens zonder ongelukken te zijn aangekomen. Maar had hij het dan niet naar zijn zin bij jullie, zou hij wel ooit bij jullie wennen en zou de beheerder niet denken dat jullie slecht voor hem zorgden?

Vooral tijdens het laatste stuk van de heenweg, door het bos en duin, voelde je je eenzaam en verlaten. Maar telkens was er dan weer de opluchting dat Sjonnie je ondanks zijn vluchtpoging geestdriftig begroette en de beheerder, met wie je goede maatjes werd, vriendelijk tegen je was. Daardoor voelde je je op de terugweg met Sjonnie aan de lijn veel meer op je gemak.

Je oudste zuster, uiteraard nog een kind toen, wilde eens een vuiltje bij Sjonnies ogen wegvegen, wat hij als een bedreiging ervoer en afwerend in haar bovenlip beet. Het bloedde hevig en de consternatie was groot. Haar lip kon door de huisarts worden opgelapt, maar er bleef nog jarenlang een litteken. Je ouders besloten door dat voorval dat Sjonnie terug moest naar het asiel. Verdrietig bracht je hem er samen met je moeder in de vroege avond heen. Maar de beheerder was er niet. Of had hij jullie zien aankomen en hield hij zich schuil omdat hij wel begreep wat de bedoeling was? In ieder geval zat er niets anders op dan weer met Sjonnie terug naar huis te gaan. Waarna stilzwijgend werd besloten dat hij dan toch maar moest blijven. En alsof hij dat begreep en er blij mee was, liep hij daarna niet meer weg. Hij was nog vele jaren je vriend.

Op de Orionweg miste je de buurt waar je iedereen kende en je de laatste jaren met vriend A. had gefantaseerd over meisjes en een grootse toekomst. Hij was Gereformeerd en jij Oud - Katholiek, wat toen nog een belangrijke rol speelde, maar niet voor jullie. Zijn ouders verboden jullie vriendschap ondanks hun bedenkingen gelukkig niet en jouw ouders hielden zich met dat soort muizenissen niet bezig. Tienerliedjes zingend zwierven jullie langs de havens en sluizen, gingen jullie zomers samen naar het strand en experimenteerden jullie, hunkerend naar meisjes, seksueel met elkaar in de verboden duinen van de zeereep. Maar door de verhuizing verwaterde de vriendschap en kwam er na verloop van tijd een einde aan.

 

1

 

Er was strand genoeg maar jij zwom bij een steiger in de havenmond naast het seinpostduin. En soms zwom je van daar naar het Forteiland aan de overkant, dat toen nog streng verboden gebied was en daarom spannend. Maar het was een eind zwemmen en gevaarlijk. Je moest opletten dat er geen schepen aankwamen en dat er niet werd gespuid. Dat laatste kon je zien door een kegel aan de semafoor. Als er werd gespuid zou je door de stroming worden meegesleurd richting zee en was je binnen de kortst mogelijke tijd in Engeland, zoals wel schertsend werd gezegd. Maar in werkelijkheid was de kans groot dat je dan verzoop.

 

Het was een mooie zomer toen je daar vrijwel dagelijks zwom, op de steiger lag te zonnen of over het verlaten Forteiland struinde. Maar ondanks de overvloedige zonneschijn toen hing er voortdurend een donkere wolk boven je. Je besefte in gebreke te blijven maar voelde je niet in staat er iets aan te doen. De toekomst leek je een langdurige regenbui zonder jas of paraplu. Je ouders leidden een druk en zorgelijk bestaan en begrepen evenmin als jij wat je bewoog. Ze lieten je zwemmen. Je had zussen en vrienden maar voelde je alleen alsof je altijd op het Forteiland verbleef. Misschien had je toch maar beter een keer kunnen gaan zwemmen als er werd gespuid. Maar dat overwoog je niet.

 

2

 

Jij wist het niet, je ouders wisten het niet en de onderwijzers bemoeiden zich er niet mee. Tot verbazing van je ouders en onderwijzer wilde je de voorbereidende lessen Frans volgen voor leerlingen die naar een Mulo, HBS of gymnasium zouden gaan. De Franse taal trok je en de lessen gingen verbazingwekkend goed af. Als meneer er maar zin in heeft, merkte de onderwijzer erover op.

Maar omdat je schoolprestaties verder allerminst indrukwekkend waren en een HBS, Gymnasium of zelfs Mulo niet voor ons soort mensen was, een veel gebezigd credo bij je thuis, werd je vervolg opleiding de lagere zeevaartschool/ visserijschool omdat je van schepen en de zee hield. Vaak gingen de jongens van je lagere school naar die school of naar de ambachtsschool en de meisjes naar de huishoudschool. Hoger was voor de elite, de uitverkoren groepjes leerlingen die dat dat leken uit te stralen.

Jij dus naar die visserijschool, maar je had weinig belangstelling voor de lesstof en nauwelijks contact met de leraren en medeleerlingen. Je herinnert je nog een paar leraren en jongens, vrouwen gaven er toen nog geen les en meisjes zaten er niet op. Die schooljaren waren als je duistere Middeleeuwen. Al waren de Middeleeuwen dan volgens sommige historici helemaal niet zo duister als vaak wordt beweerd, voor jou waren die jaren daar op die school dat wel.

Eens per jaar was er een tocht van ongeveer een week op het IJsselmeer met het opleidingsschip Prinses Juliana. Je voelde je opgesloten tijdens die week op die varende school. Slechts eenmaal mochten jullie aan wal om een avond te stappen. Dat was in Stavoren. Jullie gingen in een café aan de haven biljarten. Een van de jongens stootte toen per ongeluk een scheurtje in het laken. Schichtig keken jullie in het rond, legden de ballen erop, rekenden af en gingen ijlings terug de Prinses Juliana

Ergens in de buurt van Hoorn tijdens een stormachtige nacht voor anker liggend, hadden jij en een andere jongen de hondenwacht. Samen met hem op de brug wachtend op niets, werd jij kotsmisselijk door de korte, heftige golfslag van het IJsselmeer, het rukken van het schip aan de ankerketting. Je probeerde het te verbergen voor je wachtgenoot, zei dat je even naar de wc moest, ging naar het dek, kotste over de reling en deed terug op de brug alsof er niets aan de hand was. Als je wachtgenoot iets vermoedde, liet hij het niet merken.

Toen het volgende jaar de tocht weer op het programma stond, wist je er onderuit te komen omdat je moest worden aangenomen door de Oudkatholieke kerk. De leraren en je klasgenoten waren verbaasd dat je dat kennelijk belangrijker vond dan die tocht, waar de andere jongens zich juist zo op verheugden. Er werd echter niet op afgedongen, want een geloofsovertuiging was toen nog heilig. Maar zo’n heilig boontje was jij niet echt.

 

3

 

Toch was dat aannemen wel een mooi feest. Je kreeg er je eerste kostuum voor, dat je volgens een buurmeisje geweldig stond. En je had er een week vrij door, want je klas was op drift. De jongens kwamen er met opgewonden verhalen van terug. Daar stond jij buiten, zoals je op die school eigenlijk altijd overal buiten stond. Je wist je er te handhaven door de gave van het woord, maar het was jouw wereld niet. Je droomde van een wereld waarvan je nauwelijks iets wist. Maar wat je ervan vernam sloeg je gretig in je op.

Naast boeken als Keteltje in het veerhuis, ’t Juttersjong, 20-duims manilla, Vliegende storm en De scheepsjongens van Bontekoe, las je de ongeveer twintig boeken die je ouders via de Gezinsboekerij hadden verzameld. Sommige openlijk, sommige heimelijk omdat je door de titel vermoedde dat je ouders je daar nog te jong voor zouden vinden. Je rubriceerde die boeken, legde er een lijst van aan alsof het om een enorme bibliotheek ging.

Anthony van Kampen’s ’t Juttersjong las je al jong. Je kon lang staren naar de omslag met een schip zonder roer dat aan het zinken was. Een nichtje van de schrijver zat bij je in de klas. En het juttersjong dat ook jij toen was, ging als het stormde ’s ochtends vroeg op de fiets tegen wind en regen in met zijn hond naar het strand. Je verborg in het duin wat je te veel aan hout, drijvers, netten en vreemde flessen - of gewone waar statiegeld op stond - op de vloedlijn vond om direct mee te nemen.

Van Anthony van Kampen las je ook Het stormnest, Zee zonder genade en Zeeslepers op de evenaar vele malen. Later wilde je zoals hij gaan varen en schrijven. Wat er niet van kwam, maar de zeedamp bleef je koesteren, mede dankzij Anthony van Kampen.

Van Johan Fabricius’ De scheepsjongens van Bontekoe wilde je aanvankelijk stuurs niets weten. Want je had het niet zelf gekozen, ongevraagd van je ouders voor je verjaardag gekregen. Maar toch wel nieuwsgierig begon je er op een gegeven moment heimelijk in te lezen en toen was het met de heimelijkheid al spoedig gedaan. Het was toen Hajo en Padde voor en na, wat je ouders, in de juistheid van hun keuze bevestigd, met een milde glimlach aanhoorden.

De scheepsjongen of beter jongen van schepen die jij destijds ook was, vreesde dat zijn ogen te slecht zouden worden voor het zeemansleven. Toen nog zonder enige reden, terwijl je nu soms wel met reden vreest dat je ogen het eerdaags zullen begeven, je niet meer naar behoefte zult kunnen schrijven en lezen.

Johan Fabricius’ Heilige paarden leende je ooit uit aan een vriendin, die het ietwat neerbuigend beoordeelde als wel goed in zijn soort. Waarschijnlijk bedoelde ze, geen literatuur. In ieder geval gingen jullie kort daarna uit elkaar en heb je zowel haar als dat boek nooit teruggezien.

Maar wat je van Johan Fabricius hebt gelezen, zal waarschijnlijk alleen de dood je kunnen doen vergeten: De scheepsjongens van Bontekoe, De heilige paarden, Het beest uit de zee, Hajo en Padde, ze zijn nog altijd bij je.

In het Patronaatsgebouw van je woonplaats hoorde je een schoolconcert dat werd gegeven door het Trio Pim Jacobs. De zaal vol scholieren ging enorm te keer, schreeuwde om Rock and Roll. Jij vond die Jazzmuziek prachtig en het gedrag van de meeste andere scholieren beschamend. Via de draadomroep raakte je ook in de ban van het The Modern Jazz Quartet en van licht klassieke muziek, zoals de Bolero van Ravel. Maar je hield ook van Johnny Jordaan en tienerliedjes. Waarover later meer.

In bioscoop Rex, later de stadsschouwburg van Velsen, zag je een toneelstuk voor scholieren waarvan je de naam vergat, maar waarin een acteur die later de directeur van de Academie voor Kleinkunst zou worden een olijke beer speelde. Je wist toen uiteraard niet dat je nog eens op de Academie voor Kleinkunst terecht zou komen en dat die beer daar dan je directeur zou zijn, maar de voorstelling en vooral die rol maakte diepe indruk op je. Toen je het hem later vertelde, was hij gevleid en verbaasd dat je het nog wist.

Toneel en schrijven lagen voor je gevoel in elkaars verlengde. Je droomde toen in plaats van varen en schrijven, van op de planken staan en schrijven. Later ontdekte je dat veel schrijvers ook acteerambities hadden of hebben.

Bij de buren zag je op de televisie - je ouders hadden geen televisie - een optreden van Jacques Brel en ook het toneelstuk De huisbewaarder/ The Caretaker van Harold Pinter met Henk van Ulsen en Guus Hermes. Via de radio, de draadomroep, luisterde je iedere week naar een programma over poëzie en naar een programma met Franse chansons. Als je het je goed herinnert op de vroege zondagavond. Dat waren ingrijpende ervaringen. Je verbleef er voor je gevoel al een beetje door in de wereld waarvan je droomde. Maar ondertussen ging je gewoon door met de voorbereiding op het zeemansleven. Wat moest je anders, hoe kon het anders?

Je voer korte tijd op vissersschepen en op een zeesleepboot en kon goed overweg met de andere bemanningsleden. Maar zowel zij als jij voelden wel dat jullie niet uit hetzelfde hout gesneden waren.

 

Wordt vervolgd,